maandag 22 juli 2013

De buren zijn jarig

Ik lig al in bed,
maar de zon is nog op

en de merel is zó hard aan ‘t fluiten!

Ik lig al in bed
 met de beer en de pop

en verder is iedereen buiten.

De radio speelt 
in de kamer benee

of is het hiernaast bij de bakker?

Nou hoor ik een kraan.

O, ze zetten weer thee

en ik ben nog zo vreselijk wakker.

Annie MG Schmidt - Zomeravond

Het is warm. En niet gewoon warm. Er ligt een elektrische deken onder de stoep en een donzen dekbed op de stad. Het waait niet.
Door de ramen en gordijnen volgens een bepaald schema open en dicht te doen, denk ik dat het in huis koel blijft. Maar dat is niet zo.
Om elf uur ’s avonds voelt het alsof ik net op het strand ben aangekomen.

In een los hemdje en korte broek zit ik in m’n woonkamer annex sauna. Ik luister naar dromerige muziek. Ik heb net de keuken en de badkamer helemaal schoongemaakt.
Ik zet m’n grote Whatsapp-zomer-groep op stil. Het regent zonnestralen en festivals.
En ik kan wel zo’n festival-poncho aandoen, maar dat helpt niet.
Want ik moet gewoon werken morgen. En m’n geld is op. En ik wil niet eens mee, maar het voelt toch alsof ik niet mag. Mijn zestienjarige zelf wil stiekem uit het raam klimmen en toch gaan. Helaas, pindakaas.

En dan vind ik toch m’n ultieme zondagzomeravond, met cocktails van gepureerde watermeloen en ijs en gin, vriendinnetje Laura die ook moet werken morgen en youtubefilmpjes waar we allebei blij van worden.
We passen shirtjes, kijken hoe we het beste een boyfriend-jeans die te groot is in ons voordeel kunnen gebruiken en luisteren naar onze favoriete hardloop- en meezingnummers.

De hitte verstikt ons niet, hij maakt ons beter. We drinken liters citroenwater en zien de straat langzaam stiller worden. We zetten de muziek heel zacht. Laura gaat naar huis. Heel goed.
Maar dan gaat aan de overkant het licht aan.
Er hangen slingers, ik kan ze zien vanuit mijn raam.
Er is een feest. In de verte hoor ik muziek. De buren zijn jarig.

Ik ben niet uitgenodigd, logisch, want ik weet niet eens wie daar woont.
Maar het is zo warm en het voelt zo heel erg niet als midden in de nacht.
En ik ben nog zo vreselijk wakker.

donderdag 25 april 2013

Analyse


I got a question mark
You got a need to always take some shot in the dark
I don't have to make pretend the picture I'm in is totally clear
You think that all things have a way they ought to appear
'Cos you know you know you know you know
You know you know you know you know
You know I don't

Elliott Smith – Question Mark

Hoewel ik niet meer hoef mee te doen aan een psychiatrie stage, moet ik wel het onderwijs volgen. En ik vind het fijn. Welkom terug in de wondere wereld van angst, stress, hallucinaties, extreem lange brieven en analyses.
Ik geniet van de anekdotes van mijn groepsgenootjes. Terwijl ik de beste techniek leer om op de operatiekamer een tumor steriel via een piepklein buisje te verwijderen, hebben zij gesprekken. Gesprekken met warrige psychiaters, stoere SPV-ers en met patiënten.
Psychiatrische patiënten. Mijn lievelings.

En het gaat heus wel ergens over. Tijdens een presentatie over het psychiatrisch onderzoek werd weer eens duidelijk hoe wij een geestelijke stoornis definiëren: het gaat erom dat andere mensen er last van hebben. Op een onbewoond eiland zou iemand met een narcistische, theatrale of borderline persoonlijkheidsstoornis geen stoornis hebben. Niemand die last heeft van hun gedrag. Daar gaat het criterium: beperking in het beroepsmatig en sociaal functioneren.
Had Robinson Crusoe ADHD? Was hij autistisch of psychotisch of allebei? Niemand weet het. Druk of in jezelf gekeerd – op een onbewoond eiland kan het gewoon. Kinderen voor kinderen wisten het al.
Op je luie hai-de-wiets. Het ligt aan anderen hoe gek je wordt bevonden. En iedereen heeft zijn eigen referentiekader, dus het blijft een subjectief specialisme. Ik mis het best een beetje.

Gelukkig kan ik ook mijn analyses loslaten in het openbaar.
Uit eten met mijn nichtje bestudeerde ik stiekem een andere tafel.

Knappe jongen, eind twintig, hipster, krullen, zat al twintig minuten te wachten.  Hij keek chagrijnig. Z’n biertje was op. Het glas witte wijn voor zijn gezelschap werd warm. Nee, hij hoefde niet nog een keer naar de kaart te kijken. Hij ging uitgebreid zitten sms-en. Hij zuchtte even. Ik had bijna medelijden. Zijn date kwam niet. In mijn hoofd gaf ik toe aan mezelf dat ik me op zich wel aan wilde melden als vrijwilliger. Voor een andere keer.
En toen kwam ze toch.

Jonge vrouw, mooi, met ouwelijke en onverwacht degelijke kleren aan. Ze zoende hem ferm doch afstandelijk op beide wangen. Ook zij had donkere krullen.
Vriendin? Ex? Zus? Zus, besloot ik. Onduidelijk wat voor relatie. Ze ging zitten en nam een slok wijn. Ze probeerde een gesprek te beginnen. Helaas kon ik niet horen wat ze zei.
De jongen was duidelijk niet blij. Hij bleef op zijn telefoon kijken. ‘Wacht, ik moet dit afmaken’, zei hij.
Ze liet het maar even zo. Na vijf ongemakkelijke minuten was zij ook niet meer blij.
Hij deed autistisch en onaardig, zij was te laat. Niet echt de ingrediënten voor een leuke avond.

‘Nou, doe die telefoon eens weg! Ik zei toch sorry! Doe eens niet zo stom’. Goed verstaanbaar deze keer.
Verbaasd keek hij haar aan.  De houding die ik eerder als passive agressive had bestempeld, was nu meer verlegen.
‘Weet je wel hoe moeilijk dat woord is?’
Ze keek geïrriteerd opzij. Okee, dan hapte ze wel. ‘Wat?’
Ons eten kwam. Jammer, ik was net zo benieuwd. Ik stopte met kijken. Maar ik hoorde het toch.
‘Galatasaray’

Tja. Daar kan geen analyse of argument tegenop. En misschien is het wel binnen alle referentiekaders toepasbaar.
‘Ik heb het zwaar’, ‘Mijn baas is een sukkel’, ‘Ik weet niet wat ik moet zeggen’, ‘Alles zit tegen’…
Zelfs op een onbewoond eiland is Galatasaray een moeilijk woord.





maandag 4 maart 2013

Kroket


Het is eigenlijk nog heel koud. Ik blaas wolkjes de grijze lucht in. Maar het is wel licht. En ik fiets op een tijdstip waarop normale mensen dat ook doen door mijn eigen park.
Met nog honderden anderen.  Fietsen naar je werk, supergezond!
En die afsluiting van die brug, waardoor ik om moet fietsen, dat is een afsluiting over mijn rivier. Na een klein halfuurtje zet ik mijn fiets neer, vlak naast het fietsenrek, naast het ziekenhuis.

En dan kan ik weer eens opnieuw beginnen. Tradities en geboden leren kennen van de afdeling. Een witte jas regelen. Een pasje.
De dame van de jassen geeft mij heel optimistisch maat xxsmall. Het past. Zo’n beetje.
Ik draai een rondje in de loeistrakke witte jas en besluit dat ik hiermee iets anders uitstraal dan ik wil.
‘Doe maar een maat groter’ zeg ik,  ik moet als dokter natuurlijk ook nog zeshonderd ondergekalkte blaadjes en een telefoon en pennen en een mueslireep in die jas kunnen verstoppen.

Voor het pasje moet ik op de foto. Een vrolijk meisje met lange losse haren prijkt naast het ‘Arts in opleiding tot specialist’.  Cool zeg.  Een pasje met foto aan mijn witte jas. Dat hadden we in de huisartspraktijk niet.
Vol vertrouwen loop ik de verkeerde kant op in het mij nog onbekende ziekenhuis. Hmmm. P4, vleugel D, waar ben ik? Iets minder zelfverzekerd vraag ik aan de schoonmaker de weg naar mijn nieuwste werkplek. Hij grijnst. ‘Is makkelijk, daarheen.’

En dan zit ik vandaag de hele dag op een krukje naast de dokter. En in sommige kamers is geen krukje. Dus leun ik dan semi-nonchalant tegen de behandeltafel. En ik mag kijken, maar niets doen en vooral niet teveel vragen stellen.  Ik doe m’n best om op te letten, maar mijn buik knort en die mueslireep zit nog in m’n tas. Na het ochtendspreekuur vraag ik aan de arts-assistent wanneer we gaan lunchen. ‘Ik ga niet lunchen, ik ga m’n poli voorbereiden’ zegt hij. Oh. ‘Maar ga vooral.’

En dat doe ik. Ik heb boterhammen mee, maar ik ga wel even een Optimel halen. Ofzo.
Na drie keer verkeerd lopen (alweer! Hoe moeilijk is het?) sta ik in het restaurant tussen alle andere witte jassen en groene OK-pakjes. ‘Schiet op, anders zijn er geen kroketten meer’ zegt achter mij een meisje tegen haar vriendin. Ik heb geen idee van welk specialisme ze zijn en het restaurant is vol. Gefrituurde dingen zijn alleen geschikt als eten op zaterdagmiddag na het uitgaan. Ik denk aan mijn gezondheidsmedaille van vanochtend en aan mijn nu dus te wijde witte jas.
Uit baldadigheid neem ik de een-na-laatste kroket. Ik zit aan een hoekje van een lange tafel op een wiebelstoel en voel me alsof ik aan de tafel van de nerds zit in een Amerikaanse high-school-film. En deze nerds zijn niet eens mijn vrienden. Gelukkig heb ik mijn kroket om me op te concentreren.

De middag poli is eigenlijk best gezellig. De zon schijnt naar binnen. En ik kan me steeds voorstellen als ‘dokter’, wat het krukje al een stukje beter maakt.
En dan fiets ik terug naar huis. Met een zonnebril op.
Over de Amstel, door het Vondelpark. Morgen is een nieuwe dag. En overmorgen weer.

En ik kan deze week afspreken met mijn al vrienden, meteen na schooltijd.
Hoera.
Hoera voor Amsterdam, hoera voor mijn nieuwe werk en hoera voor de kroket op de eerste maandag van de maand.
Elke traditie is ooit eens bedacht door iemand die hem nodig had op een zeker moment.

woensdag 24 oktober 2012

Een klein hoekje

You're my crimescene baby
police line do not cross
and I could be a tresspasser
lockes forever lost

Charleston Accindental- Benjamin B

'Een ongeluk zit in een klein hoekje'. Een van de meest gebruikte uitdrukkingen, en heel cliche. Ik dacht er vandaag over na. Een vrouw die haar duim halveerde doordat er een tractor op omviel, zei het. 'Nou!' zei ik.

Maar ik vond het helemaal niet. Bij een 'ongeluk in een klein hoekje' denk ik meer aan op je duim slaan met timmeren. Of aan het breken van je enkel door een misstap bij het ramen zemen. Misschien begrijp ik de uitdrukking niet.

Een beetje zoals 'gaat het?' Dat snap ik ook niet. Gaat wat? Alles gaat zoals het gaat, daardoor gebeuren ongelukken juist.

'Ongeluk' is namelijk een raar woord. Het omgekeerde van geluk. Dat is op zich alles wat je niet gelukkig maakt.
Wc-papier op? Ongeluk. Fiets gejat, tentamen niet gehaald, favoriete serie stopt ermee? Ongeluk.
In het Engels is het 'accident', wat een 'onverwachte en ongewenste gebeurtenis' is. Beter. Een ongewenste enonverwachte gebeurtenis zit in een klein hoekje. Bekt niet lekker, maar toch.

En dan: 'In een klein hoekje'.
Welk hoekje? Een hoekje van de slaapkamer? Een hoekje achter de bank? Hoeveel graden bepaalt of het klein of gewoon hoekje is?
En is een groot hoekje minder gevaarlijk? Over wat voor een hoekje hebben we het eigenlijk?

'De meeste ongevallen gebeuren in en om het huis' leerde ik tijdens mijn Eerste Hulp cursus. '35.000 mensen gaan jaarlijks in Nederland naar de Eerste Hulp vanwege een ongeval in en om het huis. Hiervan overlijden er 580 per jaar.'
Het verkeer, terrorisme en criminaliteit scoren veel lager. De mens is zijn eigen grootste gevaar. We vergeten het zo makkelijk.
Want dat soort dingen gebeuren ons niet. Wij negeren vrolijk alle waarschuwingen, de plaatjes in het IKEAboekje waar staat dat dit ECHT met z'n tweeen moet en het cliche van het hoekje.

De afgelopen jaren was ik vaak aan het werk in het ziekenhuis. Mensen worden ziek en gaan dood. Daar ben ik aan gewend, soms hadden ze er iets aan kunnen doen, maar meestal niet. Waar ik toch niet aan kan wennen, zijn aan de ongelukken. Vooral niet aan die 'in en om het huis'.

'Man stapte tijdens verhuizing mis bovenaan de trap (30 treden) en viel achterover' schreef ik bij Neurologie in een status. Op de CT-scan werd in de hersenen een grote bloeding gezien. De man ging dood. Hij was net zo oud als mijn vader. Tijdens dit coschap ging ik verhuizen. Mijn vader mocht helpen, maar ik wilde grote dingen zelf naar boven tillen. Dan kon mijn vader niet van de trap vallen. En ik zou niet vallen, want dat soort dingen gebeuren mij niet.

Dit baseerde ik op feit dat mij elke dag heel veel dingen niet gebeuren.
In de afgelopen jaren ben ik niet uit ramen gevallen vanaf de derde verdieping tijdens het ophangen van gordijnen, wiebelend op een kussen op een stoel, niet geelectrocuteerd bij het aansluiten van een nieuwe lamp, niet verlamd geraakt na een val van de trap, niet geplet door de zware kast die ik zelf wel naar beneden zou tillen, niet gespietst op de bamboestokken in mijn kamerplant toen die naar beneden viel, niet extreem gewond geraakt door m'n blender, niet gestikt in koolstofmonoxide, niet blind geworden na het knappen van een boortje op ooghoogte, niet overreden na het breken van m'n fietsketting en de onmogelijkheid om te remmen, niet aangereden na een onfortuinlijke beweging richting tramrails, niet tussen metro en perron gestuikeld en vooral: niet mijn nek gebroken door mijn pump in een klein hoekje te haken.

Het kleine hoekje snap ik namelijk sinds kort.
Op hele hoge mooie hakken fietste ik vanaf de Albert Heijn naar huis. Het regende. Ik deed de plastic tas om mijn zadel. Bij het oversteken van de Overtoom moest ik stoppen. Er reden auto's over de weg en taxi's over de tramrails.
Toen ik dacht dat ik weer verder kon gaan, stapte ik op mijn fiets.
De tas over m'n zadel was echter naar beneden gezakt. Mijn rechterpump duwde resoluut de trapper naar beneden. Mijn linkerpump wilde hetzelfde doen. Ineens voelde ik weerstand. En meteen daarop gevolgd, instabiliteit. De hak van mijn linkerpump zat vast en kon de trapper niet bereiken. WTF!
Mijn hartslag ging drie keer zo hard. Mijn fiets wiebelde. De grond zag er hard uit. Ik wil dit niet. IK WIL DIT NIET.

Maar ik zat vast.
Gehaakt in het lusje van de tas om m'n zadel. Er kwam een taxi aan met aanzienlijke snelheid. Ik liet mijn stuur los en trok uit allemacht aan de linkerschoen. De lus knapte. Ik stepte snel naar de stoep aan de overkant. De taxi reed voorbij.
Pfiieuw. Dit had verkeerd kunnen aflopen. Ik dacht aan het kleine hoekje en hoe dat gaat.

Mijn vriendje, al eerder overgestoken, had niets gemerkt. Niets van mijn potentieel dodelijke val, niets van het kleine hoekje plastic dat mij extreem onbenullig de das om had kunnen doen. In en rondom mijn huis.
Hij keek naar mijn grote schrikogen. 'Hee schatje, gaat het?' zei hij.
M'n hart klopte bizar hard. Ik voelde bloed rondgepompt worden met een ongezonde snelheid.
Mijn fiets en ik stonden aan de goede kant van de straat.
Ik zette mijn rechterpump trillend op de grond.

Het ging. Het ging zelfs goed.
Ik knikte. 








donderdag 18 oktober 2012

Boys Noize


My moon, my man (6X)
My moooooon my moon, my man
(...)
Take it slow, take it easy on me
Shed some light
Shed some light on me please

Feist – My Moon, My Man (boys noize remix)

'My moon, my man'. Er is een remix van. Door Boys Noize. Jongens die lawaai maken en een feestje kunnen bouwen. Ik wilde dat ik naar het Amsterdam Dance Event kon. Maar dat mag niet. Want ik moet leren. Ik moet lezen en boeken bestuderen die ik volplak met gekleurde blaadjes. Alsof ik het dan wel onthoud.

Feist zingt (zonder mix) zachtjes in mijn woonkamer over sterren en dromen en mannen. Ik kan haar alleen niet goed horen.
Er is namelijk een verbouwing aan de gang twee huizen verderop. En tegenover mijn huis is een garage. Waar ze werken aan klassieke auto's en motoren. En er is een creche.

Normaal gesproken ben ik niet thuis overdag. Dan werk ik. Maar deze week moet ik studeren. En dus heb ik eerst mijn kledingkast uitgeruimd, een lamp opgehangen, duizend potjes Rumble gespeeld en uitgebreid in bad gezeten. Studie-ontwijkend-gedrag.
Maar nu heb ik een boek en markers en pennen en een laptop voor me.
Studeren, hatsee.

Het lukt niet. Zelfs met de ramen dicht hoor ik de radio van de bouwvakkers beter dan mijn eigen lome achtergrondmuziek. Soms zingen ze mee.
De garage test auto's voornamelijk door ze heel hard te laten loeien. VROOOAAARHHH. Hij doet het! Dit moet zes keer herhaald worden om het zeker te weten.

Wat is het onrustig hier in de buurt. Ik wist het niet. Tot vandaag. Zuchtend doe ik een derde boek open en besef me ineens dat de wc ook schoongemaakt moet worden. Dat ga ik dan wel eerst even doen.

Om twee uur is het stil. Ik vermoed dat de mannen om mij heen die lawaai maken schafttijd hebben.
Tot tien over twee. Want dan breekt er een gevecht uit tussen 'de slechten' en 'de goeien'. De vier jongetjes op het pleintje naast mijn huis hebben de rollen en zwaarden verdeeld. Ze zijn een jaar of vier. De moeder in charge schreeuwt af en toe bemoedigend dat ze lief moeten zijn voor elkaar. Maar dat zijn ze niet. Dus wordt het brullen. 'I-hihik vind jouwwww gemeeeeeen'.
Dat krijg je ervan.

Ik probeer me te concentreren op ACE-remmers. En op de regels over kinderen met koorts. Ik moet ze insturen als ze jonger zijn dan 3 maanden.

Ik wil alle kinderen vanaf mijn pleintje insturen, naar een plek waar ze voorlopig niet worden losgelaten. En ik wil dat auto's het vanzelf doen. Zonder geluid. Ik wil even met rust gelaten worden, zodat ik mijn dikke boek kan lezen.

Maar deze rust heb ik zelf in de hand. Ik voel het ineens.

Ik ben veranderd, van een kletskous tijdens college in een jankerd. Ik zeur. Ik kan de noise van de buurtboys niet meer hebben. 
En dat ligt niet aan het lawaai. 
Boys Noize was altijd mijn lievelingsact. Het ligt aan mezelf. Au. Oud wijf dat je er bent.
I'm not gonna take it easy on me. Ik wil toch graag midden in de stad wonen? Nou dan!

Ik doe de ramen dicht en mijn favoriete technoplaat aan. Ik maak ruimte op mijn tafel. Een nieuw boek moet volgeplakt worden met post-its.

Shed some light on me please...







woensdag 3 oktober 2012

Fifty shades of red


It all happens so fast – one minute I’m falling, the next I’m in his arms and he’s holding me tightly against his chest. I inhale his clean, vital scent. He smells of fresh laundered linen and some expensive body wash. Oh my, it’s intoxicating. I inhale deeply.
Are you okay?” he whispers. He has one arm around me, clasping me to him, while the fingers of his other hand softly trace my face, gently probing, examining me. His thumb brushes my lower lip, and I hear his breath hitch. He’s staring into my eyes, and I hold his anxious, burning gaze for a moment or maybe it’s forever… but eventually, my attention is drawn to his beautiful mouth. Oh my. And for the first time in twenty-one years, I want to be kissed. I want to feel his mouth on me.

Fifty shades of grey – E.L. James

Het is een hit. Vijftig tinten grijs oftewel Fifty shades of grey.
De titel van het eerste boek van de zogenaamd kinky semi-erotische trilogie over een maagdelijke studente en haar relatie met een belachelijk knappe getroubleerde jonge miljardair. Omdat hij nu met haar is, zal zij met haar prachtige onschuld en lange benen, zijn 'wicked ways' wel veranderen.
'Oh', en het wordt ook nog even lastig, met geweld en schurken, want dat moet.
De schrijfstijl is niet om over naar huis te schrijven. Hoe meer bijvoegelijke naamwoorden, hoe beter. Er wordt in het boek veel gezucht en met ogen gerold (en 'oh' dat maakt mr Grey helemaal gek). Walt Disney en de gebroeders Grimm hadden hetzelfde gedaan, als ze nog leefden en deze bizarre versie van Assepoester onder ogen hadden gekregen.

Blijkbaar zat de halve wereld hier al tijden op te wachten.
Liefde en geweld, Eros en Thanatos. In pocketvorm, met een sprookje eromheen. Een sprookje met helikopters en geld en eten en zweepjes. Op een bepaalde manier best een beetje spannend.
En het mag!
Omdat het een hit is, is het blijkbaar geaccepteerd dat iedere vrouw, ongeacht leeftijd of opleidingsniveau, zich vermaakt met de avonturen van Ana en Mr Grey.

Ik heb ze alledrie gelezen. Met het plezier om even totaal weg te zijn uit je eigen wereld. Op afstand bekeek ik de personages. Ik hoorde bij allemaal niet. Maar met een beetje medeleven kom je een heel eind. Zoals altijd, eigenlijk.

Op de eerste hulp van een ziekenhuis ver van de stad liep ik vandaag rond in een wit pak.
Dit is mijn werk nu. Enge dingen zien. Mensen spoedeisende hulp verlenen. Het is buitengewoon griezelig. Want alles wat ik twee maanden geleden instuurde, omdat ik het te moeilijk, te acuut of te erg vond voor de huisarts, komt hier nu binnen.
Het is druk. Heel druk, en daarom wordt er onderscheid gemaakt in ernst.

Er is een man met een doorboorde teen. Een meisje is van een hele hoge ladder gevallen. Een ambulance brengt een bewusteloze vrouw binnen. Iemand heeft een hartinfarct gekregen. En er is ook nog iemand die met timmeren zijn duim als ondergrond heeft gebruikt.

Wanneer de triage code 'rood' is, betekent dat dat er meteen een dokter heen moet. Code 'geel' en 'oranje' kunnen nog even wachten, maar niet lang.

Ik vind het maar lastig. Alles lijkt me even belangrijk. Maar degene met een open wond, waar niet direct het bloed uitspuit, moet even wachten nu.
Een verpleegkundige legt het me uit: 'Als je tijdens een hartaanval niet meteen doodgaat, moet je wachten op diegene die gestopt is met ademhalen na zijn val. Er zijn verschillende soorten rood.'
Ik dacht tot dusver bij verschillende kleuren rood aan zonsondergangen en lippenstift en wijn.

Vandaag stond ik naast het bed van iemand met een mogelijke hartaanval. Alles werd goed gecontroleerd. Ik kwam binnen om uit te leggen dat het nog even kon duren voordat er actie werd ondernomen. 

De patient lag rustig in bed 'de pijn wordt minder, dokter', maar het hartfilmpje zag er niet goed uit. Ik ging hier iets aan doen, alleen nu nog niet.
Zijn vrouw, naast het bed, was een boek aan het lezen.
Ze hield het omhoog: Fifty shades of Grey. 'Hebt u dit gelezen, het is echt de moeite waard!'.
Als er iemand reden heeft om even weg te willen zijn uit deze wereld, is zij het wel.

Ik schudde mijn hoofd.
'U heeft het ook veel te druk!' zei ze, voordat ik wegliep.
Ik dacht aan het boek.
En aan de fifty shades of red. Van urgentie, bloed, lippenstift en alles in between.
Best een beetje spannend.









donderdag 30 augustus 2012

Het lijkt wel een liedje van Andre Hazes

Kom, draai je om, kijk me aan
Nee ik laat je niet gaan, kan je mij niet vergeven?

Andre Hazes- Wat is dan liefde

Het is voorbij. Het afgelopen jaar waren we elke week samen.
We zaten eerst wat onzeker tegenover elkaar, maar leerden onszelf en de ander langzamerhand beter kennen. We zagen elkaars sterke en zwakke punten. We gingen samen koffie en biertjes drinken.
We maakten elkaar mee in goede en slechte tijden. Serieuze zaken en grappen wisselden elkaar af. Twijfels en kritiek, enthousiasme en gemis, alles passeerde de revue. Er werd veel gelachen, maar ook gehuild. Soms voelden we ons alleen.
Liefde, verlies, geluk en verdriet. Alle cliches kwamen voorbij.
Het lijkt wel een liedje van Andre Hazes.

We waren niet hetzelfde en zien nog steeds duidelijk de diversiteit. We gaan nu verschillende kanten op. Waar ambitie een grote rol speelt bij de een, is praktisch functioneren een speerpunt voor de ander.

We gaan uit elkaar. Dat is hoe het is, en ook al vinden we het moeilijk, dit hebben we nodig om verder te gaan.

Vandaag zaten we voor het laatst bij elkaar. We schreven elkaar een boodschap voor de toekomst, we vertelden elkaar wat we nu al heel goed vonden en wat er later beter moet.
In het afgelopen jaar zijn er twee huizen gekocht en twee babies gemaakt. Life-events, zo noemen we dat in medische termen.

Toch snel gegaan, dat jaar. Hatsee, Andre, daar ben je weer.

Vandaag beloofden we dat we elkaar niet uit het oog zouden verliezen. 
We zullen elkaar later weer tegen komen. En dan weten we van elkaar hoe het voelde, dat eerste jaar.
Over ongeveer twee jaar zijn we alle acht huisarts.

Ik vind het heel gek dat we onze life-events het komende jaar met anderen gaan delen. Ik ben gehecht geraakt aan ons groepje.
Wij geloofden in elkaar het afgelopen jaar. We waren kleine jongens en meisjes. We waren een beetje verliefd. 
Dag groepje 11-G, het ga jullie goed.