I got a question mark
You got a need to always take some shot in
the dark
I don't have to make pretend the picture
I'm in is totally clear
You think that all things have a way they
ought to appear
'Cos you know you know you know you know
You know you know you know you know
You know I don't
Elliott Smith – Question Mark
Hoewel ik
niet meer hoef mee te doen aan een psychiatrie stage, moet ik wel het onderwijs
volgen. En ik vind het fijn. Welkom terug in de wondere wereld van angst,
stress, hallucinaties, extreem lange brieven en analyses.
Ik geniet
van de anekdotes van mijn groepsgenootjes. Terwijl ik de beste techniek leer om
op de operatiekamer een tumor steriel via een piepklein buisje te verwijderen,
hebben zij gesprekken. Gesprekken met warrige psychiaters, stoere SPV-ers en
met patiënten.
Psychiatrische patiënten. Mijn lievelings.
En het gaat heus wel ergens over. Tijdens een
presentatie over het psychiatrisch onderzoek werd weer eens duidelijk hoe wij
een geestelijke stoornis definiëren: het gaat erom dat andere mensen er last van hebben. Op een onbewoond eiland zou
iemand met een narcistische, theatrale of borderline persoonlijkheidsstoornis
geen stoornis hebben. Niemand die last heeft van hun gedrag. Daar gaat het
criterium: beperking in het beroepsmatig en sociaal functioneren.
Had Robinson Crusoe ADHD? Was hij autistisch
of psychotisch of allebei? Niemand weet het. Druk of in jezelf gekeerd – op een
onbewoond eiland kan het gewoon. Kinderen
voor kinderen wisten het al.
Op je luie hai-de-wiets. Het ligt aan anderen
hoe gek je wordt bevonden. En iedereen heeft zijn eigen referentiekader, dus
het blijft een subjectief specialisme. Ik mis het best een beetje.
Gelukkig kan ik ook mijn analyses loslaten in
het openbaar.
Uit eten met mijn nichtje bestudeerde ik
stiekem een andere tafel.
Knappe jongen, eind twintig, hipster, krullen,
zat al twintig minuten te wachten. Hij
keek chagrijnig. Z’n biertje was op. Het glas witte wijn voor zijn gezelschap
werd warm. Nee, hij hoefde niet nog een keer naar de kaart te kijken. Hij ging
uitgebreid zitten sms-en. Hij zuchtte even. Ik had bijna medelijden. Zijn date
kwam niet. In mijn hoofd gaf ik toe aan mezelf dat ik me op zich wel aan wilde
melden als vrijwilliger. Voor een andere keer.
En toen kwam ze toch.
Jonge vrouw, mooi, met ouwelijke en onverwacht
degelijke kleren aan. Ze zoende hem ferm doch afstandelijk op beide wangen. Ook
zij had donkere krullen.
Vriendin? Ex? Zus? Zus, besloot ik.
Onduidelijk wat voor relatie. Ze ging zitten en nam een slok wijn. Ze probeerde
een gesprek te beginnen. Helaas kon ik niet horen wat ze zei.
De jongen was duidelijk niet blij. Hij bleef
op zijn telefoon kijken. ‘Wacht, ik moet dit afmaken’, zei hij.
Ze liet het maar even zo. Na vijf
ongemakkelijke minuten was zij ook niet meer blij.
Hij deed autistisch en onaardig, zij was te
laat. Niet echt de ingrediënten voor een leuke avond.
‘Nou, doe die telefoon eens weg! Ik zei toch
sorry! Doe eens niet zo stom’. Goed verstaanbaar deze keer.
Verbaasd keek hij haar aan. De houding die ik eerder als passive agressive
had bestempeld, was nu meer verlegen.
‘Weet je wel hoe moeilijk dat woord is?’
Ze keek geïrriteerd opzij. Okee, dan hapte ze
wel. ‘Wat?’
Ons eten kwam. Jammer, ik was net zo benieuwd.
Ik stopte met kijken. Maar ik hoorde het toch.
‘Galatasaray’
Tja. Daar kan geen analyse of argument
tegenop. En misschien is het wel binnen alle referentiekaders toepasbaar.
‘Ik heb het zwaar’, ‘Mijn baas is een sukkel’,
‘Ik weet niet wat ik moet zeggen’, ‘Alles zit tegen’…
Zelfs op een onbewoond eiland is Galatasaray
een moeilijk woord.