donderdag 25 april 2013

Analyse


I got a question mark
You got a need to always take some shot in the dark
I don't have to make pretend the picture I'm in is totally clear
You think that all things have a way they ought to appear
'Cos you know you know you know you know
You know you know you know you know
You know I don't

Elliott Smith – Question Mark

Hoewel ik niet meer hoef mee te doen aan een psychiatrie stage, moet ik wel het onderwijs volgen. En ik vind het fijn. Welkom terug in de wondere wereld van angst, stress, hallucinaties, extreem lange brieven en analyses.
Ik geniet van de anekdotes van mijn groepsgenootjes. Terwijl ik de beste techniek leer om op de operatiekamer een tumor steriel via een piepklein buisje te verwijderen, hebben zij gesprekken. Gesprekken met warrige psychiaters, stoere SPV-ers en met patiënten.
Psychiatrische patiënten. Mijn lievelings.

En het gaat heus wel ergens over. Tijdens een presentatie over het psychiatrisch onderzoek werd weer eens duidelijk hoe wij een geestelijke stoornis definiëren: het gaat erom dat andere mensen er last van hebben. Op een onbewoond eiland zou iemand met een narcistische, theatrale of borderline persoonlijkheidsstoornis geen stoornis hebben. Niemand die last heeft van hun gedrag. Daar gaat het criterium: beperking in het beroepsmatig en sociaal functioneren.
Had Robinson Crusoe ADHD? Was hij autistisch of psychotisch of allebei? Niemand weet het. Druk of in jezelf gekeerd – op een onbewoond eiland kan het gewoon. Kinderen voor kinderen wisten het al.
Op je luie hai-de-wiets. Het ligt aan anderen hoe gek je wordt bevonden. En iedereen heeft zijn eigen referentiekader, dus het blijft een subjectief specialisme. Ik mis het best een beetje.

Gelukkig kan ik ook mijn analyses loslaten in het openbaar.
Uit eten met mijn nichtje bestudeerde ik stiekem een andere tafel.

Knappe jongen, eind twintig, hipster, krullen, zat al twintig minuten te wachten.  Hij keek chagrijnig. Z’n biertje was op. Het glas witte wijn voor zijn gezelschap werd warm. Nee, hij hoefde niet nog een keer naar de kaart te kijken. Hij ging uitgebreid zitten sms-en. Hij zuchtte even. Ik had bijna medelijden. Zijn date kwam niet. In mijn hoofd gaf ik toe aan mezelf dat ik me op zich wel aan wilde melden als vrijwilliger. Voor een andere keer.
En toen kwam ze toch.

Jonge vrouw, mooi, met ouwelijke en onverwacht degelijke kleren aan. Ze zoende hem ferm doch afstandelijk op beide wangen. Ook zij had donkere krullen.
Vriendin? Ex? Zus? Zus, besloot ik. Onduidelijk wat voor relatie. Ze ging zitten en nam een slok wijn. Ze probeerde een gesprek te beginnen. Helaas kon ik niet horen wat ze zei.
De jongen was duidelijk niet blij. Hij bleef op zijn telefoon kijken. ‘Wacht, ik moet dit afmaken’, zei hij.
Ze liet het maar even zo. Na vijf ongemakkelijke minuten was zij ook niet meer blij.
Hij deed autistisch en onaardig, zij was te laat. Niet echt de ingrediënten voor een leuke avond.

‘Nou, doe die telefoon eens weg! Ik zei toch sorry! Doe eens niet zo stom’. Goed verstaanbaar deze keer.
Verbaasd keek hij haar aan.  De houding die ik eerder als passive agressive had bestempeld, was nu meer verlegen.
‘Weet je wel hoe moeilijk dat woord is?’
Ze keek geïrriteerd opzij. Okee, dan hapte ze wel. ‘Wat?’
Ons eten kwam. Jammer, ik was net zo benieuwd. Ik stopte met kijken. Maar ik hoorde het toch.
‘Galatasaray’

Tja. Daar kan geen analyse of argument tegenop. En misschien is het wel binnen alle referentiekaders toepasbaar.
‘Ik heb het zwaar’, ‘Mijn baas is een sukkel’, ‘Ik weet niet wat ik moet zeggen’, ‘Alles zit tegen’…
Zelfs op een onbewoond eiland is Galatasaray een moeilijk woord.