Het is eigenlijk nog heel koud. Ik blaas
wolkjes de grijze lucht in. Maar het is wel licht. En ik fiets op een tijdstip
waarop normale mensen dat ook doen door mijn eigen park.
Met nog honderden anderen. Fietsen naar je werk, supergezond!
En die afsluiting van die brug, waardoor ik om
moet fietsen, dat is een afsluiting over mijn rivier. Na een klein halfuurtje zet
ik mijn fiets neer, vlak naast het fietsenrek, naast het ziekenhuis.
En dan kan ik weer eens opnieuw beginnen. Tradities
en geboden leren kennen van de afdeling. Een witte jas regelen. Een pasje.
De dame van de jassen geeft mij heel
optimistisch maat xxsmall. Het past. Zo’n beetje.
Ik draai een rondje in de loeistrakke witte
jas en besluit dat ik hiermee iets anders uitstraal dan ik wil.
‘Doe maar een maat groter’ zeg ik, ik moet als dokter natuurlijk ook nog
zeshonderd ondergekalkte blaadjes en een telefoon en pennen en een mueslireep
in die jas kunnen verstoppen.
Voor het pasje moet ik op de foto. Een vrolijk
meisje met lange losse haren prijkt naast het ‘Arts in opleiding tot
specialist’. Cool zeg. Een pasje met foto aan mijn witte jas. Dat
hadden we in de huisartspraktijk niet.
Vol vertrouwen loop ik de verkeerde kant op in
het mij nog onbekende ziekenhuis. Hmmm. P4, vleugel D, waar ben ik? Iets minder
zelfverzekerd vraag ik aan de schoonmaker de weg naar mijn nieuwste werkplek. Hij
grijnst. ‘Is makkelijk, daarheen.’
En dan zit ik vandaag de hele dag op een
krukje naast de dokter. En in sommige kamers is geen krukje. Dus leun ik dan
semi-nonchalant tegen de behandeltafel. En ik mag kijken, maar niets doen en
vooral niet teveel vragen stellen. Ik
doe m’n best om op te letten, maar mijn buik knort en die mueslireep zit nog in
m’n tas. Na het ochtendspreekuur vraag ik aan de arts-assistent wanneer we gaan
lunchen. ‘Ik ga niet lunchen, ik ga m’n poli voorbereiden’ zegt hij. Oh. ‘Maar
ga vooral.’
En dat doe ik. Ik heb boterhammen mee, maar ik
ga wel even een Optimel halen. Ofzo.
Na drie keer verkeerd lopen (alweer! Hoe
moeilijk is het?) sta ik in het restaurant tussen alle andere witte jassen en
groene OK-pakjes. ‘Schiet op, anders zijn er geen kroketten meer’ zegt achter
mij een meisje tegen haar vriendin. Ik heb geen idee van welk specialisme ze
zijn en het restaurant is vol. Gefrituurde dingen zijn alleen geschikt als eten
op zaterdagmiddag na het uitgaan. Ik denk aan mijn gezondheidsmedaille van
vanochtend en aan mijn nu dus te wijde witte jas.
Uit baldadigheid neem ik de een-na-laatste
kroket. Ik zit aan een hoekje van een
lange tafel op een wiebelstoel en voel me alsof ik aan de tafel van de nerds
zit in een Amerikaanse high-school-film. En deze nerds zijn niet eens mijn vrienden.
Gelukkig heb ik mijn kroket om me op te concentreren.
De middag poli is eigenlijk best gezellig. De
zon schijnt naar binnen. En ik kan me steeds voorstellen als ‘dokter’, wat het
krukje al een stukje beter maakt.
En dan fiets ik terug naar huis. Met een
zonnebril op.
Over de Amstel, door het Vondelpark. Morgen is
een nieuwe dag. En overmorgen weer.
En ik kan deze week afspreken met mijn al vrienden,
meteen na schooltijd.
Hoera.
Hoera voor Amsterdam, hoera voor mijn nieuwe
werk en hoera voor de kroket op de eerste maandag van de maand.
Elke traditie is ooit eens bedacht door iemand
die hem nodig had op een zeker moment.
Je bent stoer, chick!
BeantwoordenVerwijderenthanks, en coole dingen maak jij - mag je me ook eens leren!
Verwijderenx