donderdag 10 oktober 2013

Fout






Maybe I had said

Something that was wrong
Can I make it better
With lights turned on

 The XX- Shelter


Heel groot staat het in de krant: “Dokters maken weer fouten over …. (vul per maand in wat je wil).”


Van je fouten kun je leren. Fouten maken is menselijk. Niets is echt fout.
Alles kan alleen maar beter worden. Elk cliché is waar.


Want er gaat heus een keer iets mis. Is het niet in je persoonlijk, dan wel in je beroepsmatig leven. Fouten maken mag. Zeker als je nog aan het leren bent. En als het dan gebeurt, dan kan je “veilig een incident melden” bij je baas, en het maar het best meteen toegeven aan degene die je eventueel benadeeld hebt door jouw fout.

In bright light toegeven dat dingen niet zijn gegaan zoals het misschien had gemoeten.

 Tot nu toe gaat het goed.  Als ik al een fout heb gemaakt, dan heeft het nog geen consequenties gehad. Of ik heb het niet gemerkt.


Vandaag had ik, met nog 200 artsen in opleiding tot specialist, les van een advocaat. De regels met betrekking tot ons werk zijn duidelijk: je kan het mis hebben, maar als je het goed opschrijft, sorry zegt, niet iemand anders de schuld geeft en vooral lief en begripvol reageert, dan is er niets aan de hand. 

Niets aan de hand, op tuchtrechterlijk vlak dan.

Want dan kom je wat dat betreft, er meestal wel mee weg. Gelukkig maar, dacht ik vandaag,  na de zoveelste les over verantwoordelijkheden, dossiervoering en aansprakelijkheid.

Maar als het mis is…. Gaat het in je hoofd dan nog over redelijkheid en verwijtbaar handelen?

Of denk je dan alleen maar aan de momenten waarop je niets deed, of een verkeerd medicijn voorschreef, terwijl het onvermijdelijke eindresultaat zich eigenlijk al manifesteerde? Je krijgt geen commentaar op goeie keuzes.


Vorige week moest ik een toets maken. Je kon kiezen uit 4 antwoorden en een vraagteken. Voor een fout antwoord krijg je aftrek, voor een goed antwoord beloning, en voor een vraagteken niets.


Deze week zie ik mijn patiënten van de vorige week terug. Ik heb een controle ingebouwd.  Als wat ik dacht goed was, zijn ze nu beter. Als het fout was, is hun probleem niet opgelost of erger geworden.


Maar ik kan in het echt nooit een vraagteken invullen. Ook al wil ik het wel. Dus doe ik gewoon mijn best.

En dan hoop ik op een goede keuze met goede uitkomst. Met het licht aan. Ik hoef verder niets, geen bloemen, geen applaus – maar ik heb hierna wel een verzoek: 

Als dat dan echt zo is, bel dan ook een keer de krant.:“Mijn dokter heeft gedaan wat de bedoeling is, en alles gaat goed.” 



zondag 25 augustus 2013

Bikkelen


Het is eind augustus. “De scholen zijn weer begonnen” – het spandoek hangt op de Roetersstraat naast een verlaten zebrapad. Om acht uur ’s ochtends nog even niet.
Maar ik voel het wel.

Ook voor mij begint een nieuw schooljaar. Zonder grote vakantie deze keer. Ik heb maar twee dagen vrij tussen stoppen op de ene en beginnen op de andere plek.
En ik vind het best spannend. Het laatste jaar, elke dag met de trein naar een nieuwe praktijk, waar ik iedereen en alles nog moet leren kennen.

Gelukkig verandert niet alles. Mijn nieuwe Moleskine-agenda ziet er hetzelfde uit als die van vorig jaar, en het jaar ervoor.

En hetzelfde als tijdens m’n studietijd. Toen ik nog geen ipad nodig had voor het onderwijs omdat ‘ie niet bestond. Toen ik doordeweeks best vaak vrij was.
En toen ik ook lange to-do-lists maakte vol goede voornemens op de gelinieerde pagina naast de komende week.
Deze week staat al weer bijna vol.
Huis: opruimen keuken. Ophangen rookmelder. Verhuizen dozen N. Lijstjes slaapkamer. Stofzuigen.
Werk: map goed indelen!! Verslagen inleveren. Mailen eindevaluatie. Tas inruimen. Ampullen-etui bijhouden!!!
Sociaal: bellen L. Kaartje baby M. Kaartje baby andere M. Mailen A
Sport: sportschool 2x/wk. Rennen deze week 15 km (nog 3 wkn DtD)

Pfff. Zoals altijd was het maken van de lijst en het invullen van de agenda het leukst. Want hoewel alle to-do-dingen op zich geen punt zijn, lijkt het nu toch ineens veel.
Was ik maar weer 19, denk ik, niet voor het eerst.

En dan zie ik ze.

Op weg naar m’n werk fiets ik langs een grote groep hele jonge meisjes.
Ze hebben allemaal een wit wijd t-shirt aan en een hip knotje boven op hun hoofd. Sommigen hebben een fluor hesje of een vuilniszak gekregen.
Ze maken het Vondelpark schoon. Of ze doen alsof.
Als de enige die iets ouder is (en een pak aan heeft) uit het zicht verdwenen is, kruipen er drie op een bankje tegen elkaar aan.  Ze zuchten en doen meteen hun ogen dicht.

Oeps, daar is het meisje in pak weer. Ze kijkt verveeld naar de drie op het bankje en zegt: “Wat had ik nou gezegd net? Bikkelen, bitches, bikkelen!”
De drie meisjes staan snel op en knikken. Ze gaan het doen.

En ik ook. Zonder hesje en knot. Niet omdat een kattig meisje in een pak dat zegt. Maar volgens m’n eigen opgestelde lijst, elke week weer. Het wordt vast een mooi jaar.

maandag 22 juli 2013

De buren zijn jarig

Ik lig al in bed,
maar de zon is nog op

en de merel is zó hard aan ‘t fluiten!

Ik lig al in bed
 met de beer en de pop

en verder is iedereen buiten.

De radio speelt 
in de kamer benee

of is het hiernaast bij de bakker?

Nou hoor ik een kraan.

O, ze zetten weer thee

en ik ben nog zo vreselijk wakker.

Annie MG Schmidt - Zomeravond

Het is warm. En niet gewoon warm. Er ligt een elektrische deken onder de stoep en een donzen dekbed op de stad. Het waait niet.
Door de ramen en gordijnen volgens een bepaald schema open en dicht te doen, denk ik dat het in huis koel blijft. Maar dat is niet zo.
Om elf uur ’s avonds voelt het alsof ik net op het strand ben aangekomen.

In een los hemdje en korte broek zit ik in m’n woonkamer annex sauna. Ik luister naar dromerige muziek. Ik heb net de keuken en de badkamer helemaal schoongemaakt.
Ik zet m’n grote Whatsapp-zomer-groep op stil. Het regent zonnestralen en festivals.
En ik kan wel zo’n festival-poncho aandoen, maar dat helpt niet.
Want ik moet gewoon werken morgen. En m’n geld is op. En ik wil niet eens mee, maar het voelt toch alsof ik niet mag. Mijn zestienjarige zelf wil stiekem uit het raam klimmen en toch gaan. Helaas, pindakaas.

En dan vind ik toch m’n ultieme zondagzomeravond, met cocktails van gepureerde watermeloen en ijs en gin, vriendinnetje Laura die ook moet werken morgen en youtubefilmpjes waar we allebei blij van worden.
We passen shirtjes, kijken hoe we het beste een boyfriend-jeans die te groot is in ons voordeel kunnen gebruiken en luisteren naar onze favoriete hardloop- en meezingnummers.

De hitte verstikt ons niet, hij maakt ons beter. We drinken liters citroenwater en zien de straat langzaam stiller worden. We zetten de muziek heel zacht. Laura gaat naar huis. Heel goed.
Maar dan gaat aan de overkant het licht aan.
Er hangen slingers, ik kan ze zien vanuit mijn raam.
Er is een feest. In de verte hoor ik muziek. De buren zijn jarig.

Ik ben niet uitgenodigd, logisch, want ik weet niet eens wie daar woont.
Maar het is zo warm en het voelt zo heel erg niet als midden in de nacht.
En ik ben nog zo vreselijk wakker.

donderdag 25 april 2013

Analyse


I got a question mark
You got a need to always take some shot in the dark
I don't have to make pretend the picture I'm in is totally clear
You think that all things have a way they ought to appear
'Cos you know you know you know you know
You know you know you know you know
You know I don't

Elliott Smith – Question Mark

Hoewel ik niet meer hoef mee te doen aan een psychiatrie stage, moet ik wel het onderwijs volgen. En ik vind het fijn. Welkom terug in de wondere wereld van angst, stress, hallucinaties, extreem lange brieven en analyses.
Ik geniet van de anekdotes van mijn groepsgenootjes. Terwijl ik de beste techniek leer om op de operatiekamer een tumor steriel via een piepklein buisje te verwijderen, hebben zij gesprekken. Gesprekken met warrige psychiaters, stoere SPV-ers en met patiënten.
Psychiatrische patiënten. Mijn lievelings.

En het gaat heus wel ergens over. Tijdens een presentatie over het psychiatrisch onderzoek werd weer eens duidelijk hoe wij een geestelijke stoornis definiëren: het gaat erom dat andere mensen er last van hebben. Op een onbewoond eiland zou iemand met een narcistische, theatrale of borderline persoonlijkheidsstoornis geen stoornis hebben. Niemand die last heeft van hun gedrag. Daar gaat het criterium: beperking in het beroepsmatig en sociaal functioneren.
Had Robinson Crusoe ADHD? Was hij autistisch of psychotisch of allebei? Niemand weet het. Druk of in jezelf gekeerd – op een onbewoond eiland kan het gewoon. Kinderen voor kinderen wisten het al.
Op je luie hai-de-wiets. Het ligt aan anderen hoe gek je wordt bevonden. En iedereen heeft zijn eigen referentiekader, dus het blijft een subjectief specialisme. Ik mis het best een beetje.

Gelukkig kan ik ook mijn analyses loslaten in het openbaar.
Uit eten met mijn nichtje bestudeerde ik stiekem een andere tafel.

Knappe jongen, eind twintig, hipster, krullen, zat al twintig minuten te wachten.  Hij keek chagrijnig. Z’n biertje was op. Het glas witte wijn voor zijn gezelschap werd warm. Nee, hij hoefde niet nog een keer naar de kaart te kijken. Hij ging uitgebreid zitten sms-en. Hij zuchtte even. Ik had bijna medelijden. Zijn date kwam niet. In mijn hoofd gaf ik toe aan mezelf dat ik me op zich wel aan wilde melden als vrijwilliger. Voor een andere keer.
En toen kwam ze toch.

Jonge vrouw, mooi, met ouwelijke en onverwacht degelijke kleren aan. Ze zoende hem ferm doch afstandelijk op beide wangen. Ook zij had donkere krullen.
Vriendin? Ex? Zus? Zus, besloot ik. Onduidelijk wat voor relatie. Ze ging zitten en nam een slok wijn. Ze probeerde een gesprek te beginnen. Helaas kon ik niet horen wat ze zei.
De jongen was duidelijk niet blij. Hij bleef op zijn telefoon kijken. ‘Wacht, ik moet dit afmaken’, zei hij.
Ze liet het maar even zo. Na vijf ongemakkelijke minuten was zij ook niet meer blij.
Hij deed autistisch en onaardig, zij was te laat. Niet echt de ingrediënten voor een leuke avond.

‘Nou, doe die telefoon eens weg! Ik zei toch sorry! Doe eens niet zo stom’. Goed verstaanbaar deze keer.
Verbaasd keek hij haar aan.  De houding die ik eerder als passive agressive had bestempeld, was nu meer verlegen.
‘Weet je wel hoe moeilijk dat woord is?’
Ze keek geïrriteerd opzij. Okee, dan hapte ze wel. ‘Wat?’
Ons eten kwam. Jammer, ik was net zo benieuwd. Ik stopte met kijken. Maar ik hoorde het toch.
‘Galatasaray’

Tja. Daar kan geen analyse of argument tegenop. En misschien is het wel binnen alle referentiekaders toepasbaar.
‘Ik heb het zwaar’, ‘Mijn baas is een sukkel’, ‘Ik weet niet wat ik moet zeggen’, ‘Alles zit tegen’…
Zelfs op een onbewoond eiland is Galatasaray een moeilijk woord.





maandag 4 maart 2013

Kroket


Het is eigenlijk nog heel koud. Ik blaas wolkjes de grijze lucht in. Maar het is wel licht. En ik fiets op een tijdstip waarop normale mensen dat ook doen door mijn eigen park.
Met nog honderden anderen.  Fietsen naar je werk, supergezond!
En die afsluiting van die brug, waardoor ik om moet fietsen, dat is een afsluiting over mijn rivier. Na een klein halfuurtje zet ik mijn fiets neer, vlak naast het fietsenrek, naast het ziekenhuis.

En dan kan ik weer eens opnieuw beginnen. Tradities en geboden leren kennen van de afdeling. Een witte jas regelen. Een pasje.
De dame van de jassen geeft mij heel optimistisch maat xxsmall. Het past. Zo’n beetje.
Ik draai een rondje in de loeistrakke witte jas en besluit dat ik hiermee iets anders uitstraal dan ik wil.
‘Doe maar een maat groter’ zeg ik,  ik moet als dokter natuurlijk ook nog zeshonderd ondergekalkte blaadjes en een telefoon en pennen en een mueslireep in die jas kunnen verstoppen.

Voor het pasje moet ik op de foto. Een vrolijk meisje met lange losse haren prijkt naast het ‘Arts in opleiding tot specialist’.  Cool zeg.  Een pasje met foto aan mijn witte jas. Dat hadden we in de huisartspraktijk niet.
Vol vertrouwen loop ik de verkeerde kant op in het mij nog onbekende ziekenhuis. Hmmm. P4, vleugel D, waar ben ik? Iets minder zelfverzekerd vraag ik aan de schoonmaker de weg naar mijn nieuwste werkplek. Hij grijnst. ‘Is makkelijk, daarheen.’

En dan zit ik vandaag de hele dag op een krukje naast de dokter. En in sommige kamers is geen krukje. Dus leun ik dan semi-nonchalant tegen de behandeltafel. En ik mag kijken, maar niets doen en vooral niet teveel vragen stellen.  Ik doe m’n best om op te letten, maar mijn buik knort en die mueslireep zit nog in m’n tas. Na het ochtendspreekuur vraag ik aan de arts-assistent wanneer we gaan lunchen. ‘Ik ga niet lunchen, ik ga m’n poli voorbereiden’ zegt hij. Oh. ‘Maar ga vooral.’

En dat doe ik. Ik heb boterhammen mee, maar ik ga wel even een Optimel halen. Ofzo.
Na drie keer verkeerd lopen (alweer! Hoe moeilijk is het?) sta ik in het restaurant tussen alle andere witte jassen en groene OK-pakjes. ‘Schiet op, anders zijn er geen kroketten meer’ zegt achter mij een meisje tegen haar vriendin. Ik heb geen idee van welk specialisme ze zijn en het restaurant is vol. Gefrituurde dingen zijn alleen geschikt als eten op zaterdagmiddag na het uitgaan. Ik denk aan mijn gezondheidsmedaille van vanochtend en aan mijn nu dus te wijde witte jas.
Uit baldadigheid neem ik de een-na-laatste kroket. Ik zit aan een hoekje van een lange tafel op een wiebelstoel en voel me alsof ik aan de tafel van de nerds zit in een Amerikaanse high-school-film. En deze nerds zijn niet eens mijn vrienden. Gelukkig heb ik mijn kroket om me op te concentreren.

De middag poli is eigenlijk best gezellig. De zon schijnt naar binnen. En ik kan me steeds voorstellen als ‘dokter’, wat het krukje al een stukje beter maakt.
En dan fiets ik terug naar huis. Met een zonnebril op.
Over de Amstel, door het Vondelpark. Morgen is een nieuwe dag. En overmorgen weer.

En ik kan deze week afspreken met mijn al vrienden, meteen na schooltijd.
Hoera.
Hoera voor Amsterdam, hoera voor mijn nieuwe werk en hoera voor de kroket op de eerste maandag van de maand.
Elke traditie is ooit eens bedacht door iemand die hem nodig had op een zeker moment.