woensdag 27 mei 2009

Confessions of a shopaholic


'I don't want something I need. I want something I want. Something pretty.'

Love actually

Geluk zit in 'm in kleine dingen.
De zon, liggen in het park, fietsen over de Schellingwouderbrug.
De slappe lach met vriendinnen, zoenen met vriendje, dansen, hardlopen.
Fijne muziek, lekker eten, dikke boeken en een warme douche.
'Alles, alles, kan een mens gelukkig maken'

Hoewel ik mezelf als redelijk slim inschat, zie ik ook hoe oppervlakkig ik ben.
Rekken vol verschillende katoenen topjes, een paar tweedehands laarzen in mijn eigen maat, grote leren tassen en schattige kleine oorbelletjes.
Mijn chagarijnigheid, verdrietige bui of pre-menstruele emotionele stemming - ze verdwijnen. Meteen.
Op het moment dat ik mijn pinpas door de sleuf haal in een winkel, voel ik een euforisch gevoel naar boven borrelen.
Met drie plastic tasjes vol nieuwe spullen fiets ik vrolijk door de stad.
Lekke banden, regen en wind kunnen mij niet meer deren.

En het maakt niet eens uit wat het is. Kratjes van de Xenos die 'o zo leuk staan in de open kast' zijn net zo goed als een nieuwe jas. Het hoeft ook niet voor mezelf te zijn. Liever niet. Het schuldgevoel en de wetenschap van volgende week boterhammen-met-pindakaas-voor-lunch zijn veel minder erg bij een cadeau.

Het slaat nergens op.
Maar op een druilerige zaterdagochtend, met een kater en opgebouwde vermoeidheid van de week ervoor, verkrijg ik nieuwe energie in de Hema en de smoezelige vintage winkel op de hoek.
Allen kijken is al leuk. Iets kopen is leuker.
Iets kopen waar ik niets aan heb is het leukst.

Doordeweeks heb ik geen tijd om te winkelen. In het weekend vaak ook niet. Zonder salaris werk ik behoorlijk hard. Lange dagen vol ingewikkelde problemen en lange dagen met nog ingewikkelder problemen wisselen elkaar af.
De enige shopping experiences die ik heb zijn in de supermarkt en op de Geneeskunde-afdeling van de boekwinkel.
Gelukkig maar.

Hierdoor geniet ik dubbel van picknicks in het park, lang uitslapen en hard meezingen met Alicia Keys op een avond alleen thuis. Het herlezen van mooie boeken kost niets. En sinaasappelsap en de weekendkrant op het balkon werken ook tegen de stress van een werkweek.
De balans is moeiijk. I want something that I want. Something pretty.
Shoppen is fijn, maar niet het allerallerleukste. Op het terras denk ik met tegenzin aan paskamers en de rij voor de kassa.
Ik leun achterover en ontspan. Vandaag geen tassen aan mijn fiets-stuur. Morgen ook niet.

Want zelfs tien nieuwe jurkjes wegen niet op tegen twee dagen vrije tijd.

dinsdag 19 mei 2009

Nachtdienst


Slapen. Ik wil het. Maar het lukt niet.
Het mag wel. Het moet zelfs. Het is al laat.
Lichten uit, lenzen uit, pyjama aan en ogen stijf dicht.

Over vijf uur gaat mijn wekker alweer. Kom op zeg. Morgen heb ik spijt van deze minuten, dat weet ik nu al.

Maar ik hoor de tram nog rinkelen op de hoek. Er loopt iemand heel hard te schreeuwen op straat.
Een brommer raast. Ik ben nog zo vreselijk wakker.

Toen ik vorige week nachtdienst had, wilde ik niets liever dan slapen. Om vier uur 's ochtends werden vrouwen binnen gebracht om te bevallen. Met rode slaapogen moedigde ik ze aan. 'Goed zo, duwen, harder, kom op, je kan het'.
Ze geloofden in mijn enthousiasme.

Terwijl ik verlangde naar kussens, een zacht dekbed en vooral een horizontale positie, stond ik op te grote klompen onder een tl-buis een placenta te onderzoeken.
Het zag er goed uit. Ik niet. Met enige moeite deponeerde ik het glibberige ding in de bak in de vriezer. Zo.
Over drie uur is de ochtendoverdracht. Nog even volhouden. Nog maar vier dagen als deze.

Op het balkon at ik om tien uur 's ochtends een bakje yoghurt in de zon. Om me heen stonden mensen op, klaar om aan de dag te beginnen. Ik verstopte mijn hoofd onder de dekens en zette mijn wekker op 17:30 uur.
Net wakker na een dag vol slaap-interupties stond ik in de keuken om eten te koken voor mezelf en vriendje. Met lange tanden werkte ik me door mijn favoriete pasta-met-rode-saus. Hij lachte me uit. 'Ochtendhumeur?'
Door de avondzon fietste ik naar het ziekenhuis.

Eenmaal binnen voelde het helemaal niet als avond. Huppakee, zes nieuwe opnames en evenzoveel infusen om te prikken. Gaat-ie-lekker? Ik ben net wakker.
Daar houdt niemand rekening mee, en in de dienst al helemaal niet.

Om acht uur 's ochtends was het eindelijk tijd voor het afwisselen van de wacht. Hoera! Als een zombie fietste ik langs de Rai. Ughhh. Mijn bed. Nu. Om me heen zag ik mensen in de andere richting fietsen, maar wel met dezelfde blik in hun ogen.
Een lange nacht werken voelt soms hetzelfde als een korte nacht slapen.

En nu is het bedtijd. Alweer twee weken geleden had ik nachtdienst. Ik zou inmiddels gewend moeten zijn aan een gezond ritme. Half zeven opstaan. Op tijd gaan slapen. Maar na anderhalf jaar coschappen en vier jaar studie is opstaan nog steeds niet mijn sterkste punt. Morgenochtend word ik weer wakker met het enthousiasme en de leergierigheid van mijn dode goudvis. Dat weet ik nu al.

Alles went, behalve de wekker.

zondag 10 mei 2009

Hulpverlening

Hij zit in de isoleercel. Op de camera vanuit ons veilige werkstation bekijk ik hem en wat hij doet.
Hij doet niets. Hij zit op een gestoorde-gek-bestendige rubberen stoel te wachten.
De afgelopen drie maanden is hij al vijf keer in deze cel geweest. Hij weet wat er gaat gebeuren.
We gaan met hem praten. Hij geeft braaf antwoord op onze vragen.
Nee, hij is niet boos. Ja, hij wil naar huis.
Hij gedraagt zich goed.
Hij snapt niet dat hij hier is omdat hij ruzie heeft gemaakt. Zijn moeder was erg bang en heeft twee keer de politie gebeld.
Maar hij wilde alleen maar nieuwe sigaretten en die kreeg hij niet. Logisch dat hij boos werd.
Een verslaving is ook een ziekte.

Terwijl wij hem observeren, staat er een heel brede grote kale bewaker naast ons.
De meneer op de stoel giechelt als we binnenkomen. We begrijpen niet goed waarom. 'On-invoelbaar lachen' schrijven we in ons dossier.
Ikzelf doe niets. Ik probeer gewoon zo min mogelijk bedreigend en dokter-achtig over te komen.
Na een mislukte poging gezicht-in-de-plooi vandaag bij een huisbezoek ('Kijk dan, zij is wel bang'), probeer ik heel hard niet te denken aan de voorgeschiedenis van deze patient. Fysiek geweld. Bedreiging. Vijf keer crisisdienst in drie maanden.
'Intuitie is je beste vriend' vertelden ze mij ter voorbereiding. Intuitie speelt met mij.
Want deze meneer in de cel vind ik lief.
Hij doet z'n best en hij snapt het gewoon allemaal niet -'patient is cooperatief bij onderzoek' en 'zwakbegaafd' - het staat genoteerd.

We zijn eruit.
Hij moet terug naar huis. De crisisopvang is niet bedoeld voor zwakbegaafde jongens die af en toe boos worden op hun moeder. We kunnen hem niet opsluiten, ook al zou hij dat wel prima vinden.
Hij is niet gek genoeg.
In overleg met de baas Psychiatrie brengen wij hem zelf terug. Zijn moeder was bang, we moeten haar dus geruststellen.
Maar bij het huis aangekomen, is zijn moeder niet thuis. Ze neemt haar telefoon niet op.
Het huis is volgepakt met allemaal troep. Hij heeft er een eigen kamer met posters van de Spice Girls aan de muur.
Hij pakt zijn spullen uit de plastic politie-tas en doet zijn best om zijn kettingen uit de war te halen. Voorzichtig legt hij al zijn kostbaarheden naast elkaar neer op een tafeltje.
Op de gang staat een bijna opgebrande kaars op een houten kastje. Wanneer we zeggen dat dat gevaarlijk is, blaast hij hem uit. Hij gaat zitten en ziet er tevreden uit.
We gaan weg.

Op het 'hoofdkwartier' schrijven we een verslag. De volgende morgen is er overleg. Want wat moeten we met deze meneer?
Er zijn plekken om uit te zoeken wat er aan de hand is en elke dag komt er iemand om te kijken hoe het met hem gaat. Maar dat werkt onvoldoende.
's Avonds, wanneer hij soms boos wordt en zijn moeder niet weet wat ze moet doen, dan belt de politie de crisisdienst.
En vervolgens gebeurt er niets.
Voor meneren die zwakbegaafd zijn en psychiatrische problemen hebben, is er geen oplossing.
Daar is geen opvang voor. 'Zij slippen er altijd doorheen' zegt de psychiater.

Ik vind het zielig. Ik zie hem voor me, in dat volgepakte huis, een beetje rondscharrelend. Zijn moeder wil voor hem zorgen. Al dertig jaar is dit haar kind. Maar nu is hij groot. Wanneer hij boos is, is het jammer dat hij zo groot is geworden.
Want als hij haar duwt, duwt hij harder dan haar lijf kan hebben.
Dan wordt zij bang. Dan belt zij de politie.
En dan komt hij weer bij ons.
Dan begint alles weer van voor af aan.
Ik moet maar psychiater worden.
Werk genoeg.