
Snow can wait
I forgot my mittens
Wipe my nose
Get my new boots on
I get a little warm in my heart
When I think of winter
I put my hand in my father's glove
Tori Amos - Winter
Al twee weken lang is Nederland in de ban van een virus.
Het zorgt voor een bizar bedrijvige Eerste Hulp in elk ziekenhuis.
Ambtenaren van het ministerie van Buitenlandse Zaken krijgen ijsvrij.
Er is voor tachtig miljoen euro ingekocht de afgelopen dagen.
De modderslootjes rondom mijn ouderlijk huis zijn bijna beter bezocht dan de Horecava.
Er ligt namelijk een laag bevroren water op.
Met scherp geslepen ijzers onder blaarveroorzakende lelijke schoenen stappen honderden mensen op de gladde ondergrond.
Extra dikke kleding beschermt hen tegen de snijdende wind.
Zij, die normaal Amsterdam-Oost 'veel te ver fietsen' vinden, leggen meer dan vijftig kilometer af.
Ongemotoriseerd.
Terwijl de temperaturen ver onder het minpunt zakken, gaan zij naar buiten.
Ze hebben een oude regenbroek aan over hun maillot. Hoofddeksels die zelfs te ver gaan voor een verkleedfeest sieren hun bevroren haren.
Ze zijn gek geworden. Door het virus bevangen.
Schaatskoorts.
Mijn mailbox wordt gevuld met foto's van gelukzalige grijnzen. Met een plastic bekertje erwtensoep in de hand lachen mijn vriendinnnen me toe.
Of uit.
Ik kan namelijk helemaal niet schaatsen. De spaarzame koude winters in mijn jeugd heb ik blijkbaar niet goed benut.
De Jaap Eden-baan heb ik twee keer bekeken vanaf het ijs en ik werd er niet echt gelukkig van.
Evenwicht en ik zijn sowieso geen vrienden. Op het moment dat er een kans bestaat dat ik mezelf ongenadig kan bezeren omdat ik wiebelend vootbeweeg op tien centimeter hoogte, boven een koude natte keiharde vloer, laat hij me meteen in de steek.
Voor ik het weet zit ik in een rolstoel met een gebroken enkel op een drukke Spoedeisende Hulp te wachten op een foto naast de zesduizend andere niet-vrienden van Evenwicht.
Dus ik doe het niet. Mijn enige twee dagen vrij ga ik niet besteden aan buitensport. Bekijk het maar.
Terwijl Sven-brood daar zit wat in-Kramer verandert in onze Nationale Grote Liefde, kijk ik lekker naar de Madelief-marathon van Villa Achterwerk vanuit mijn warme bed. Zo.
Mijn mobiel gaat. Vriendje belt vanaf de Gouwzee. 'Het is hier zo mooi, dit kun je maar af en toe meemaken, het is uniek', schreeuwt hij boven de wind uit.
Het gevoel dat ik iets mis is ineens groot. Ik bel naar huis en vraag aan mijn ook-niet-op-het-ijs-broertje of hij weet waar mijn schaatsen zijn. 'Die pas je toch niet meer? Ze liggen ergens op zolder...' zegt hij op een toon die behoorlijk duidelijk is over zijn zin om te gaan zoeken.
Dan niet. Mijn afweersysteem vocht tegen de koorts en heeft gewonnen.
's Avonds komt vriendje langs. Hij vertelt een eindeloos verhaal over scheuren, hobbels, vallen en hoe wonderschoon de polder is. Met rode wangen en ijskoude voeten valt hij in slaap. Jaloers draai ik me nog vijf keer om.
Wanneer de wekker gaat om half zeven is de temperatuur in mijn kamer goed voor minstens twee elfstedentochten de komende week. Bibberend doe ik mijn jas aan. Op weg naar de bus glij ik drie keer uit. Grrr.
Schaatskoorts? Nee. Niet echt.
Maar ijsvrij? Heel graag.
