zondag 10 mei 2009

Hulpverlening

Hij zit in de isoleercel. Op de camera vanuit ons veilige werkstation bekijk ik hem en wat hij doet.
Hij doet niets. Hij zit op een gestoorde-gek-bestendige rubberen stoel te wachten.
De afgelopen drie maanden is hij al vijf keer in deze cel geweest. Hij weet wat er gaat gebeuren.
We gaan met hem praten. Hij geeft braaf antwoord op onze vragen.
Nee, hij is niet boos. Ja, hij wil naar huis.
Hij gedraagt zich goed.
Hij snapt niet dat hij hier is omdat hij ruzie heeft gemaakt. Zijn moeder was erg bang en heeft twee keer de politie gebeld.
Maar hij wilde alleen maar nieuwe sigaretten en die kreeg hij niet. Logisch dat hij boos werd.
Een verslaving is ook een ziekte.

Terwijl wij hem observeren, staat er een heel brede grote kale bewaker naast ons.
De meneer op de stoel giechelt als we binnenkomen. We begrijpen niet goed waarom. 'On-invoelbaar lachen' schrijven we in ons dossier.
Ikzelf doe niets. Ik probeer gewoon zo min mogelijk bedreigend en dokter-achtig over te komen.
Na een mislukte poging gezicht-in-de-plooi vandaag bij een huisbezoek ('Kijk dan, zij is wel bang'), probeer ik heel hard niet te denken aan de voorgeschiedenis van deze patient. Fysiek geweld. Bedreiging. Vijf keer crisisdienst in drie maanden.
'Intuitie is je beste vriend' vertelden ze mij ter voorbereiding. Intuitie speelt met mij.
Want deze meneer in de cel vind ik lief.
Hij doet z'n best en hij snapt het gewoon allemaal niet -'patient is cooperatief bij onderzoek' en 'zwakbegaafd' - het staat genoteerd.

We zijn eruit.
Hij moet terug naar huis. De crisisopvang is niet bedoeld voor zwakbegaafde jongens die af en toe boos worden op hun moeder. We kunnen hem niet opsluiten, ook al zou hij dat wel prima vinden.
Hij is niet gek genoeg.
In overleg met de baas Psychiatrie brengen wij hem zelf terug. Zijn moeder was bang, we moeten haar dus geruststellen.
Maar bij het huis aangekomen, is zijn moeder niet thuis. Ze neemt haar telefoon niet op.
Het huis is volgepakt met allemaal troep. Hij heeft er een eigen kamer met posters van de Spice Girls aan de muur.
Hij pakt zijn spullen uit de plastic politie-tas en doet zijn best om zijn kettingen uit de war te halen. Voorzichtig legt hij al zijn kostbaarheden naast elkaar neer op een tafeltje.
Op de gang staat een bijna opgebrande kaars op een houten kastje. Wanneer we zeggen dat dat gevaarlijk is, blaast hij hem uit. Hij gaat zitten en ziet er tevreden uit.
We gaan weg.

Op het 'hoofdkwartier' schrijven we een verslag. De volgende morgen is er overleg. Want wat moeten we met deze meneer?
Er zijn plekken om uit te zoeken wat er aan de hand is en elke dag komt er iemand om te kijken hoe het met hem gaat. Maar dat werkt onvoldoende.
's Avonds, wanneer hij soms boos wordt en zijn moeder niet weet wat ze moet doen, dan belt de politie de crisisdienst.
En vervolgens gebeurt er niets.
Voor meneren die zwakbegaafd zijn en psychiatrische problemen hebben, is er geen oplossing.
Daar is geen opvang voor. 'Zij slippen er altijd doorheen' zegt de psychiater.

Ik vind het zielig. Ik zie hem voor me, in dat volgepakte huis, een beetje rondscharrelend. Zijn moeder wil voor hem zorgen. Al dertig jaar is dit haar kind. Maar nu is hij groot. Wanneer hij boos is, is het jammer dat hij zo groot is geworden.
Want als hij haar duwt, duwt hij harder dan haar lijf kan hebben.
Dan wordt zij bang. Dan belt zij de politie.
En dan komt hij weer bij ons.
Dan begint alles weer van voor af aan.
Ik moet maar psychiater worden.
Werk genoeg.

1 reacties:

Niek zei

Ik ontdek opeens dat ik weer reacties kan plaatsen... Heftig verhaal.

X