zondag 26 oktober 2008

Feestje



Het is nu mooi geweest, het was een superfeest, en van de hele wereld feesten wij het meest

Een feestje. Hoera!
Twintig jaar geleden zou ik hebben gedacht aan ballonnen, slingers, taart en cadeautjes.
Tegenwoordig hangt dat maar net van het soort feestje af.
Er zijn huisfeestjes, verjaardagsfeestjes, hiphopfeestjes en straks vast ook kinderfeestjes.
Afterparty's en housewarmings. Dispuutsavonden, afstudeerborrels en bruiloften.
En dan nog de gewone feestjes.

Dit zijn avonden met elektronische muziek en kunnen plaatsvinden op verschillende locaties.
Soms zijn ze overdag, maar dan heet het een festival.
Het zijn niet de regulier ingeplande clubavonden waar je belandt als je ineens besluit om toch nog even te gaan dansen.
Het liefst koop je van te voren een kaartje, dan weet je zeker dat je er heen kan wanneer onverhoopt een heleboel andere mensen ook naar het zelfde feestje willen.
Het allerliefst sta je op de lijst van mensen die gratis naar binnen mogen, maar dat kan helaas niet altijd.
De redenen om naar een feestje te gaan zijn divers. Het kan de muziek zijn, maar ook omdat het op een speciale plek is, of omdat 'iedereen gaat'. Iedereen ja.
En als iedereen in de sloot springt, zou het toch jammer zijn als jij die fantastische avond in de sloot mist.

Van de feestjes van nu heb ik andere verwachtingen dan vroeger.
Ik denk aan met veel leuke mensen drankjes drinken en dansen.
Stampen danwel beuken danwel losgaan.
Mijn zwemspullen laat ik thuis en of ik word thuisgebracht hangt er nog maar van af.

Gisteravond was ik op een feestje. In het kader van het Amsterdam Dance Event was er een uitverkochte avond in de Melkweg.
Er stonden meterslange rijen voor de wc en iets halen bij de bar was een enorme onderneming.
Op de dansvloer was van personal space geen sprake meer. De adem van de persoon achter je kon je voelen in je nek.
Om drie uur was het door de wintertijd ineens twee uur en was mijn hippe jurkje doorweekt van gemorste drankjes en zweet.
Op mijn arm zat een blauwe plek van een elleboogstoot van de jongen die naast me danste.
Ontzettend laat was het pas mooi geweest.
Het was een superfeest.

woensdag 15 oktober 2008

Club tropicana


Here I'm sitting and it's getting cold
The morning rains against my window pane
While the world it looks so cold and gray
In my mind I drift away
Then I'm on my way to tropic island
You'd always said I was a dreamer
You were right

Gonna buy me a ticket to the tropics

Gerard Joling - Ticket to the tropics


Vandaag moest ik zo vaak heen en weer naar verschillende plekken om kinderen met problemen te bekijken, dat ik dacht: ik ga lekker op de fiets. Die metro is nergens goed voor.
Volgens Google Maps was de totale afstand 17 kilometer. Dat is te doen. Bovendien is lichaamsbeweging gezond.
Om half acht keek ik uit het raam. Er fietsten een paar mensen met regencape en paraplu. Het onheilspellende gespetter van voorbijrijdende auto's had ik tot dan kunnen negeren, maar het was dus zo. Het regende. Hard.
Volgens buienradar was het een klein wolkje. Okee, mijn regenpak is kwijt, maar dat geeft dan niet.

Het kleine wolkje was blijkbaar ontzettend verliefd op mij, want het bleef minimaal 15 van de 17 kilometer boven mij hangen.
Mijn nieuwste leren laarzen zijn niet waterproof. Goed om te weten.

Na een lange ochtend had ik tien minuten om te lunchen.
Besluiteloos stond ik in de Appie To Go op station Duivendrecht. Ineens zag ik het. Foccacia Tropicana.
Het zag er lekkerder uit dan de andere voorverpakte dingen. In elk geval gekleurder. En zomers. Goed idee op een dag als vandaag, wanneer de lucht grijs is en er overal blaadjes en plassen op het fietspad liggen.

Met mijn fiets in een hand en het broodje in de ander liep ik naar de trap.
Oh. De fietsgeul zit aan de linkerkant. Nou ja, zo motorisch gestoord kan ik niet zijn.
Snel nam ik een hap van de tropische snack en manouvreerde mijn fiets in de trambaan op de trap.
Gatver.
Een derde deel van het broodje zat half in, half buiten mijn mond. Het smaakte naar pizza Hawai, maar dan een die na het bakken drie weken in een niet werkende koelkast was gezet. Ik vind ananas sowieso nauwelijks lekker. Niet zo'n heel goed idee, dit.
De kaas (of gele smurrie die daar voor door moest gaan) slikte ik snel door. Hierdoor viel de rest eraf.
De oranjerode tomatendrab trok een spoor over mijn natte zwarte wollen jas.
Als ik het er NU afveeg, zie je er waarschijnlijk niets van.
Met mijn rechterhand hield ik het stuur van mijn fiets vast.
Met mijn linkerhand probeerde ik mijn jas schoon te krijgen.
De zwaartekracht, niet mijn beste vriend, besloot van het moment gebruik te maken.
Fiets of jas, fiets of jas... Soms heb je geen keuze meer.
Mijn toch al niet zo stevige tweewieler schoot los en trok mij vijf treden mee voordat hij met een aanzienlijke klap op het stationsplein viel. De OV-chipknip poortjes hielden hem nog net tegen.
Halverwege de trap stond ik. Doorweekt en gelaten keek ik naar beneden.
Het veelvuldig benoemen van een vrouwelijk geslachtsdeel hielp niet.

Op de beschadigde fiets terug naar huis dacht ik aan Hawaii. Een eiland vol rijke dikke Amerikanen die in de zon liggen en kijken naar mooie dames in hoelarokjes. Waar ik best een paar weken rond zou willen lopen.
Superblauwe zee, palmbomen, wit strand. Drink met mijn billen bloot melk uit een kokosnoot...
Ineens stopte de jongen voor me. Ik reed vol tegen zijn achterwiel.

Verschrikt veegde ik mijn natte haar uit m'n gezicht. Hij keek me aan. Oh oh.
'Was je in dromenland?'
Wat? Wat? Geen tirade tegen vrouwen op de weg in het algemeen en mij in het bijzonder? 'Ehhh ja...' zei ik.
Twee superblauwe ogen. Heel veel witte tanden en een heleboel natte krullen. Die aardig doen tegen een verzopen kat in een nog steeds vieze jas.
Vrolijk vervolgde ik mijn weg.
Thuis wacht een warm bad en shampoo met een tropisch kokosluchtje.

Ik moet vaker op de fiets gaan. Die metro is nergens goed voor. Bovendien is lichaamsbeweging gezond.

vrijdag 10 oktober 2008

Even anders

En het is makkelijk zeggen
alles komt morgen goed
Shit is zo focked op
dat zelfs ik naar woorden zoek

Sticks & Delic - Spaanse vlieg


De afgelopen week liep ik door een vreemd ziekenhuis.
Niets bijzonders. Dagelijkse kost. Rare liften, op zoek naar de juiste afdeling - dat kan ik hartstikke goed.
Maar in dit ziekenhuis in Noord kom ik alleen als het bezoekuur is.
Ik prik geen infusen of labwaarden, neem geen bloeddruk en hartslag op. Ik doe eigenlijk niets.

Ik zit naast een bed en vraag hoe het gaat.
Het gaat goed. De meneer in het bed mag bijna naar huis. Fijn.
De operatie is geslaagd en de infectie opgelost.
De drie kabels die hem vergezelden zijn verdwenen. Infuus, catheter en wonddrain mochten eruit.
We praten over de beurscrisis en de nieuwste films.
Ik ken alle details van deze patient.
Ik weet deze keer de hele voorgeschiedenis, geboortedatum en medicijnlijst uit m'n hoofd.
Maar niemand vraagt ernaar. Ik hoef geen verslag of status te schrijven.

Want deze keer is het even anders.

Nu gaat het om iemand die ik ken.
De objectieve en professionele houding die op eindevaluaties zo gewaardeerd wordt, verdwijnt onmiddellijk.
Ik verwacht wonderen van alles en iedereen. De patient klaagt niet, maar ik wel.
Het ziekenhuis is een afschuwelijke plek en de mensen in de ziekenzaal irritant. Ik vraag me af of iedereen wel hard genoeg werkt. Als een co-assistent ooit durft mis te prikken, ga ik slaan.
Strijdlustig kijk ik om me heen.
De meneer in het bed lacht me uit. Hij is beleefd tegen de dokters, leuk tegen de zusters en maakt grappen met de andere patienten. Hij wacht rustig af tot hij weer naar huis mag. Hij is lief.
Deze patient moet de allerbeste V.I.P. behandeling krijgen die er is.

De meneer in het bed is namelijk mijn vader.
Als we weggaan, loopt hij mee over de gang. Hij heeft een ochtendjas om zijn schouders hangen. Hij zwaait.
Ik wil eigenlijk even heel hard gillen.

Nu is het morgen en alles kwam weer goed. Hij is weer thuis en zat vanmiddag in zijn gewone kleren de krant te lezen. Stukken beter.
Als het langer even anders was, zou ik nog een hekel krijgen aan ziekenhuizen en iedereen die er werkt.
Werk en prive mogen van mij vanaf nu voor altijd gescheiden zijn en blijven.

zaterdag 4 oktober 2008

Dierenliefde


Het is vandaag dierendag.

Superleuk.
Als ik iets anders dan een goudvis had, deed ik het vandaag een roze strikje om.
Maar gelukkig is dat niet zo.
Mijn vriendinnen zijn over hun paardenliefdes heen gegroeid, en niemand heeft genoeg tijd en ruimte voor een hond.
Dus the occasional kat niet meetellend, kom ik bijna nooit in contact met dieren.
Wat mij betreft duurt dat nog tot mijn toekomstige kinderen elke dag zeuren om een cavia.

En hoewel ik het in verband met de bij mij al jaren bestaande financiele crisis (lieve Wouter, zestien komma vier honderd euro kan er ook nog wel af toch?) niet altijd biologisch vlees koop, vind ik het toch belangrijk dat er goed voor dieren gezorgd wordt.
Varkensflats, bio-industrie kippen en kistkalveren zijn afschuwelijk.
Wie stopt er nou kleine kalfjes in een kist? Wat gemeen. Het is onbegrijpelijk.

Gisteren nog werd er een kalfje mishandeld. Het Gouden Kalf.
Deze voorheen prestigeuze filmprijs werd gewonnen door de film Alles is Liefde.
Alles is liefde is een film gebaseerd op Love Actually. Een feelgoodmovie voor het hele gezin, met Sinterklaas, veel bekende Nederlanders en een script geschreven door Kim van Kooten.
De slogan van de film is ongeveer 'Liefde is als Sinterklaas. Je moet erin geloven.'
Love Actually is geweldig, Kim hartstikke leuk en Sinterklaas nog beter dan kerst.
Dat moet wel goed zijn dan. Maar helaas.
Wat een tegenvaller. Wat een flauwe, domme film.
En dat ligt niet alleen aan mijn onverklaarbare hekel aan Carice van Houten met haar irritante wat-ben-ik-toch-goed-hoofd.
De ingredienten waren goed, het recept ook, maar toch kwam het gerecht uit de oven met een vieze nasmaak.
Alles is helemaal niet liefde. Alles is een goede reclamecampagne en een succesvol gecreerde hype.
Daar win je prijzen mee.

Toen ik nog in Sinterklaas geloofde, schreef ik lange verlanglijsten met bovenaan een Lassie-hond, een zacht konijntje of desnoods een leuk knaagdier als een hamster. Ik kreeg ze niet.
Inmiddels weet ik wel beter. Mijn leven is niet slechter geworden zonder het wekelijks verschonen van de kattenbak.

Vandaag is het dierendag.
Het is koud, het waait en regent. Het is zaterdag.
Ik kan doen wat ik wil. Ik kan Love Actually voor de 43ste keer kijken in bed.
Ik hoef niet naar buiten om de hond uit te laten.
Want ik heb geen hond.
Hoera!