zaterdag 31 mei 2008

Hechtcursus

Au. Liefde.
Er werd nog nooit meer geschreven, gezongen en gepraat over een ander onderwerp.
Het gevoel van iemand te houden is wat ons menselijk maakt.
Evolutionair gezien kiezen mensen degene die hen het beste, slimste en mooiste nageslacht zou schenken.

Maar zo werkt het natuurlijk niet. Niet echt.
'Liefde is een vreemde ziekte' zingt Henny Vrienten. Medisch en anderszins wetenschappenlijk onverklaarbaar worden we verliefd.
Worden we blij, boos, verdrietig. Elke keer opnieuw. De zogenaamde 'learning curve' van liefde is zeer matig.
'Tegen beter weten in' typeert de manier waarop we omgaan met deze vreemde emotie. Er is geen universeel medicijn tegen.

Na een half jaar woede, ontkenning en vermijding kan ik eindelijk weer normaal omgaan met mijn ex-vriendje.
Vandaag stonden we samen op een feestje van een meisje dat haar grote liefde achterna gaat reizen naar het zuidelijk halfrond.
Ze laat familie en vrienden achter om bij de man van haar dromen te zijn.
Ik wenste haar heel veel geluk.
Op een rare manier was ik ook een beetje jaloers.
Liever wil ik geen liefde far far away. De afstand maakt relaties nog lastiger dan ze normaal al zijn.
Maar toch.

Het kinderachtige geloof in de prins op het witte paard sluimert ergens, goed weggestopt.
Terwijl de hulpeloosheid van totaal verliefd zijn echt niet iets is om na te streven.
'Zij leefden nog lang en gelukkig' bestaat helemaal niet. Walt Disney heeft een beperkt beoordelingsvermogen.
Prinsessen kiezen zonder twijfels en praktische bezwaren voor een willekeurige voorbijganger die toevallig de Heimlich manoevre onder knie heeft. Groot koninkrijk meegenomen.

Ik weet het niet meer. Ik weet niet of ik geloof in echte liefde. Mensen doen vaak maar wat. Zonde.
Ik stond vandaag met mijn ex-vriendje te praten.
In het verleden ging er een heleboel mis. Ik ben blij dat we geen spullen hoeven te verdelen en geen gedeelde voogdijschap hebben over ons niet-bestaande kind.
Er zijn genoeg redenen om niet bij elkaar te zijn.
Maar nu ben ik vooral blij dat we geen ruzie meer hebben.

Want ik zit niet opgesloten in een toren met een draak ernaast, lig niet in een glazen kistje en heb geen spinnenwiel danwel wolf in de buurt. We komen elkaar gewoon op straat tegen.
Ik ben inmiddels weer beschikbaar voor gesprekken en voor uitjes in het weekend. Als volwassenen gaan we met elkaar om.
En ik vind hem nog steeds leuk en mooi. Mijn zwakke plek, bijna gehecht door verstand en ouder worden, is nog niet volledig geheeld.
Ik heb geen stoere bijna-dokter ideeen over een oplossing.
Ik leg me er maar bij neer.
Door een vreemde ziekte gaat deze wond nooit meer helemaal dicht.

maandag 19 mei 2008

Lekker stout

Ik wil niet meer, ik wil niet meer!
Ik wil geen handjes geven!
Ik wil niet zeggen elke keer:
Jawel mevrouw, jawel meneer…
Nee, nooit meer in mijn leven!
Ik hou mijn handen op de rug
en ik zeg lekker niks terug!

(...)
En heel hard stampen in een plas
en dan m'n tong uitsteken
en morsen op m'n nieuwe jas
en ik wil overmorgen pas
weer met twee woorden spreken!
En ik wil alles wat niet mag,
de hele dag, de hele dag!

Annie Mg Schmidt - Ik ben lekker stout


Vandaag was de eerste dag op een nieuwe afdeling.
Nieuwe ronde, nieuwe kansen, nieuwe omgangsvormen.

Het heeft altijd iets moeilijks als co-assistent.
Onderaan de voedselketen is het niet de bedoeling dat je je ergens mee bemoeit, of sowieso praat, en al zeker niet dat jij op iemands anders plek gaat zitten.
Het was tien over acht.
Niemand vertelde me waar ik heen moest, wat de bedoeling was de komende twee weken of met wie ik mee zou lopen.
Na vijf verkeerde deuren vond ik de juiste vergaderruimte.

Op vier luie stoelen zaten 'de bazen' hun zeiltochten van het afgelopen weekend te bespreken.
Hun bulderende lach galmde de gang op.
De arts-assistenten hadden het over patienten die ik nog niet kende en het afschuwelijke nachtdienstenrooster dat ze hadden gekregen.
Verlegen schoof ik op een krukje in een hoekje van de artsenkamer.
Ik stelde me voor aan mijn buren en durfde vervolgens geen gesprekken meer te onderbreken.
Ik voelde me dom en veertien. Compleet met beugel en pukkels.
Een sukkelige puber zonder vrienden.
Gelukkig waren de opperdokters zo lief om mij af en toe op te merken.
Dankbaar schudde ik hun hand en vergat meteen hun naam.
Hiep hiep hoera voor de naambordjes aan hun witte jas.

Na een dappere uitspraak ('Ehhhh.. zal ik dan met jou meelopen vandaag?') had ik eigenlijk best een leuke dag.
Vol vertrouwen prikte ik scheef in slagaders, stelde ik enthousiast vragen en legde het commentaar van de arts 'als jullie dat niet meer leren stelt die opleiding aan de VU echt niets meer voor' keihard naast mij neer.
Op de eerste hulp legde ik uit aan een oud vrouwtje en haar dochter dat we onze uiterste best voor hen gingen doen. Ze waren ontroerd en zeiden 'Dank u dokter' terwijl ik nog niets nuttigs had gedaan.
Zie je wel. Ik ben vierentwintig en ik kan al een heleboel.
Lekker puh.

Aan het eind van de dag hadden we weer een vergadering. Terwijl ik vrolijk de ins en outs van de Gouden Kooi bediscussieerde met de arts-assistenten (we levellen wel, echt wel) schoof er een Dokter aan.
Ik herkende hem wel, maar wist het even niet meer.
Een van de bazen, dat was zeker.
Correct - dacht ik- vroeg ik dus maar of ' ik me al aan hem had voorgesteld'.
Hij keek me ijzig aan en glimlachte toen.
'Ja, IK had me aan JOU voorgesteld vanochtend.'
Oh jee.
'Gelukkig maakt dat hier niet zoveel uit' zei hij, zogenaamd geruststellend, maar met een ondertoon alsof ik net van zijn enige dochter d'r lievelingsbarbies het haar had afgeknipt.

De puber in mij wilde schreeuwen dat als het niets uitmaakt, je het ook niet hoeft te zeggen, eikel.
Maar de puber in mij moet haar grote smoel houden.
Dus mompelde ik 'Ja, gelukkig' en keek semi geinteresseerd naar een scan waarop iets verscheen wat wat mij betreft zowel de lever als een foetus van acht maanden had kunnen zijn.

In gedachten stak ik m'n tong uit en morste koffie expres over mijn schone witte jas.

zondag 18 mei 2008

Geheimtaal

Ik kan een geheimtaal.
De afgelopen zes jaar heb ik erop geoefend en ik word er steeds beter in.
Voor alles wat met je lijf te maken heeft (de onderdelen, of ziektes) is wel een ander, moeilijker woord te verzinnen.
We doen het de hele dag. We spreken deze taal, wij, de dokters.

Het gaat nu al bijna vanzelf.
Na vier weken op de afdeling nefrologie (nieren) beschrijf ik het lichamelijk onderzoek van de buik als volgt:
NP, WT, sb, gn zw, gn afw, colon asc/desc niet palp, lever niet palp. - wat betekent dat het goed klinkt, zowel met als zonder stethoscoop, dat je erop kan duwen, niets raars voelt, maar ook de darm en de lever niet kan voelen.

Volgens niet-geneeskunde vriendinnen hoef je maar heel even twee medisch opgeleide studenten bij elkaar te zetten of ze spreken in de geheimtaal. Niet meer te volgen voor iemand anders, en daarom ook niet meer leuk.
'En het ergste is dat ze het ook niet eens doorhebben!' hoorde ik pas.

Zou het al zover zijn gekomen?
Pas hadden we tussen de middag onderwijs over de schildklier en zijn hormonen. Er kwam een plaatje in beeld met labwaarden en een grafiek.
Ha! Die weet ik! Dus toen de internist vroeg wat dit was, zei ik :'Gewoon. De normale situatie.'
Hij trok zijn wenkbrauwen op. 'Gewoon? Gewooon?'
Snel siste een andere co 'euthyreoot'. Oh ja.
Waarbij de eu moet worden uitgesproken als een ui, natuurlijk.
Stomme geheimtaal.

Maar wel grappig voor geneeskunde-galgje. Op zoek naar een artikel voor mijn presentatie vond ik er een met deze titel:
Sirolimus for Angiomyolipoma in Tuberous Sclerosis Complex or Lymphangioleiomyomatosis
Wie dat laatste woord raadt krijgt van mij sowieso al een tien.

zaterdag 3 mei 2008

Four eyes


In 1990 werd het duidelijk.
De letters op het schoolbord dansten gezellig heen en weer, maar ik kon ze niet lezen.
Vrolijk kletsend reed ik bijna onder een vrachtwagen.
Aan het eind van de dag deed mijn hoofd zeer.
Mijn moeder nam me mee naar de huisarts.

Ik moest een bril.
Ik was pas zes jaar.
Sommige mensen hebben gewoon pech.

Op mijn dertiende kreeg ik lenzen.
Met knalrode oogjes wende ik sneller aan harde lenzen dan de oogarts ooit had gezien.
Ik wilde nooit meer een bril op.
Met een bril op ben je saai, serieus en slim. Altijd.
In films veranderen ze het suffe lieve verlegen meisje ook meteen in een sexy promqueen door haar haar los te doen en haar bril af. Clark Kent doet z'n bril af en hij is Superman.
Dus.

Dus bikkelde ik zomervakanties door zand en zee met m'n lenzen in, viel ik in slaap met m'n lenzen in en kon ik ze niet meer uitkrijgen van de droge lucht in vliegtuigen, bussen en ziekenhuizen.
Wie mooi wil zijn, moet pijn lijden. Nou en of.
Ik hield vol.

Maar op een gegeven moment is het ook mooi geweest. Om half zes 's ochtends, als mijn ogen nog heel graag even dicht willen in de trein naar een co-schap, haat ik mijn tot nu toe zeer geliefde lenzen.
Voor mijn verjaardag zocht ik een nieuwe bril uit.
Een echte. Voor af en toe. Voor als ik mijn ogen even met rust wil laten.

Vanmiddag liep ik over de Albert Cuyp met mijn bril op. Ik zag er ineens heel serieus en hip uit vond ik zelf.
Het viel niemand op.
Bij de winkel van mijn oom ging ik een kopje koffie drinken en reacties testen. Mijn oom vroeg na een half uur of ik niet ook weleens lenzen in had gehad de afgelopen tijd.
De afgelopen tijd ja. Elf jaar!

Het is blijkbaar zo. Ik blijf voor altijd een meisje met een bril. Four eyes for ever.