
De afgelopen twee weken leefde ik in een sprookje uit 1001 nacht.
Er was eens een familie die al veertien maanden als zigeuners door Afrika trokken met een landrover die Zeerover heette.
Ze hadden hun houten huisje aan het water verkocht, hun vrienden en familie vaarwel gezegd en ze waren op reis gegaan.
De vader was een lange blonde koning die het allerliefst de hele wereld zag dansen. Overal waar hij kwam, legde hij met zijn grote fototoestel vast hoe mooi het er was. Of hoe arm, of hoe bijzonder.
De moeder was een donkerharige koningin met rode lippenstift en hoge hakken. Ze schreef vanaf het moment dat de zon opkwam de mooiste verhalen op haar laptop die als vanzelf veranderden in boeken.
De vader en de moeder hadden drie dochters.
Deze prinsesjes met gouden haren waren heel erg zusjes en ook heel erg verschillend.
De oudste was bijna elf jaar, had dromerige ogen en benen als een antilope zo lang. Ze keek goed om zich heen, maar kon ook helemaal verdwijnen in haar eigen wereld.
De middelste was negen jaar, de wildste van de drie. Met een woest temperament kon zij geweldig houden van alles wat ze zag.
De jongste was pas vier jaar. Zij was het dapperst, klom overal op en in en wond iedereen onderweg om haar vinger.
Samen tekenden zij achterin de auto schriften vol, lazen elkaar verzonnen verhalen voor en zongen liedjes die niemand verstond.
Op een dag waren ze na een barre tocht door een eindeloze woestijn aangekomen in het land van de farao's, kamelen en piramides.
Daar mocht ik op bezoek komen. Met een gigantische koffer vol cadeautjes, boeken en drop vloog ik naar ze toe.
Samen gingen we verder op reis.
Langs de Nijl reden we bijna 2000 kilometer.
We zagen metershoge beelden en liepen door een snikhete vallei langs graftombes.
We kampeerden in de leegte van de witte woestijn waar we in de verte bedoeienentrommels hoorden en naar de sterrenhemel keken. Langs ons kampvuur liep een geel woestijnvosje en 's nachts sliepen we op het dak van de Zeerover.
's Ochtends vroeg speelden de prinsesjes in de zon, terwijl de koningin meloenen in stukjes sneed voor het ontbijt en we nipten van hete koffie uit zanderige bekers.
Soms waren er overal vliegen, waaide er een zwoele storm ons bijna van het dak of werden we gestoken door duizend kleine beestjes.
En soms kwamen we ineens in een oase waar we in een warme zwavelbron konden zwemmen. Waar er in een door kaarsen verlicht vertrek een feestmaal voor ons werd opgediend.
We zagen een totaal verlaten eeuwenoude stad en dronken thee met politiemannen met grote geweren. Toen we pech kregen met de Zeerover aten we mango-ijs uit een vijf liter bak tot we een glijbaan in onze buik hadden.
Na dertien dagen kwamen we weer in de bewoonde wereld. In een hectische stad lagen we aan de rand van een zwembad.
En toen moest ik weer naar huis.
Ik gaf de prinsesjes een laatste knuffel, vlocht hun haren nog een keer in een vissengraatvlecht en zong een slaapliedje.
Ik zwaaide naar de koning en de koningin.
Het sprookje is nog niet voorbij. De familie reist vanaf nu weer verder langs de kusten van de meditterane zee om hun ideale paleis te vinden waar zij later gaan wonen.
Ik vierde mijn vierentwintigste verjaardag met extra veel sproeten weer terug in Amsterdam.
Laten we allemaal lang en gelukkig blijven genieten van het leven.

Bedankt Ilco, Anna, Bloem, Chaia en Dunya!
Lees en bekijk meer op hun eigen site: www.annavanpraag.nl - klik op de wereldbol
